Wet Breyne


De woningbouwwet van 9 juli 1971, beter bekend als de wet Breyne, biedt de bouwer van een huis en de koper van een te bouwen woning (verkoop op plan - aanneming sleutel op de deur) een uitgebreide bescherming op verschillende vlakken.
Het gebouw moet bestemd zijn voor huisvesting of voor gemengd gebruik (beroepsdoeleinden en huisvesting). Deze wet is dwingend, wat betekent dat men er niet kan van afwijken.

De wet Breyne beoogt een volledige en correcte informatieverstrekking aan de toekomstige eigenaar; daartoe moeten een aantal vermeldingen verplicht schriftelijk in de overeenkomst opgenomen worden.

Zij garandeert de toekomstige eigenaar onder meer:

De wet verwacht ook van de notaris en de architect naast een algemene informatieverplichting, een bijzondere tussenkomst en controle.

Wanneer in de overeenkomst iets staat dat strijdig is met deze wet worden deze clausules als ongeschreven beschouwd.

Opgelet: men kan er ook voor kiezen om zelf met de verschillende aannemers afzonderlijke contracten af te sluiten voor de uitvoering van de verschillende bouwopdrachten. Bijvoorbeeld: de ruwbouw, dakwerken, verwarming, elektriciteit, schilderwerken.
Dit houdt wel in dat men (of de architect) zelf zal moeten instaan voor de coördinatie van de werken en de coördinatie tussen de verschillende aannemers. In dit geval is de wet Breyne is dan niet van toepassing.

[bron: FOD Economie]